We ‘ll meet again.

Theo maakte het zich gemakkelijk in zijn kleine kamer in het zorgcentrum. Hij had wat koffie gezet in zijn elektrische koffiezetapparaat voor twee koppen koffie. Hij maakte al heel veel jaren de balans op over het afgelopen jaar, zo tegen het jaareinde. Inderdaad, al veel jaren want hij was in mei dat jaar vijfennegentig geworden. 

Vandaag, oudejaarsavond gezeten in zijn relaxstoel, de benen lekker hoog en op het bijzettafeltje zijn koffie en een paar biscuitjes, zette  hij met de afstandbediening zijn cd speler in gang, die een heerlijk nummer van Vera Lynn ten gehore bracht. Het bekende en ontelbaar vaak door hem beluisterde “We’ll meet again” schalde door het vertrek, waarbij zijn gedachten ver terug gingen, terug naar de tweede wereldoorlog. De zangeres was destijds de lieveling van elke soldaat en vermoedelijk ook van de gehele niet fascistische wereld. Haar stem bezorgde hem ook nu weer kippenvel, terwijl hij dacht aan de spannende tijden die hij met zijn makkers van de Prinses Irene Brigade in Engeland doormaakte. De mannen, sommige net geen jongens meer, anderen al gelouterd door het leven, zongen dit nummer vaak mee. Allemachtig, wat hadden ze nog veel voor de boeg gehad die kerels toentertijd. Zij werden getraind om bij druk op de knop met de geallieerde troepen vanuit Engeland naar Europa over te steken en de Duitsers terug te jagen naar eigen land.

Vera zong een ander lied, ook heel bekend en hij neuriede zachtjes mee. Zijn gedachten gingen naar een soldaat die deel uitmaakte van het peloton waarvan Theo commandant was. Hendrik Jan was zijn naam, student aan het conservatorium Rotterdam met als hoofdvak piano. Bij gebrek aan een piano speelde hij mondharmonica. Het was heerlijk daarnaar te luisteren tijdens rustige momenten als hij dan klassieke muziek uit dat nietige instrument liet horen, heel zacht speelde hij. Als hij begon te spelen liet hij steevast dat bekende nummer van Vera Lynn horen, als om iedereen in de stemming te brengen. Dan werd er ook meegezongen, maar bij de klassieke muziek bleef het stil, heel stil. Slechts het zachte rustgevende geluid van de mondharmonica werd gehoord, totdat Hendrik Jan besloot met “We’ll meet again”, dat dan weer werd meegezongen.       

Hendrik Jan raakte tijdens een vuurgevecht in België zwaar gewond en verloor een been. Dat zou zijn carrière als concertpianist kosten, maar hij wist zich na de oorlog te bekwamen als violist in een groot orkest.          

Nadat Vera haar derde nummer, “The White Cliffs of Dover” beëindigd had, dacht Theo terug aan de oudejaarsavond van zo’n 20 jaar geleden. Hij zat samen met zijn, inmiddels overleden, echtgenote bij een glas wijn het jaareinde af te wachten, toen er aangebeld werd. Na het openen van de voordeur zag Theo in het bijna donker, want de verlichting boven de deur reikte niet ver, een man staan met zijn rug naar hem gekeerd. Theo verstijfde want de man speelde op een mondharmonica het “We’ll meet again”.  Hij schoot vol en met tranende ogen en overslaande stem omarmde hij de man uitroepend : “ HJ, verrekte idioot waar kom jij nou vandaan, kom binnen man, kom binnen.”, en hij begeleidde zijn oude makker, die wat mank liep naar zijn warme huiskamer. Het was een herontmoeting die hen beide diep ontroerde maar even later, nadat Theo Hendrik Jan aan zijn vrouw had voorgesteld, heel fijn werd, waarbij de cognac niet gespaard werd. Hendrik Jan bleef slapen die nacht en de volgende dag lunchten zij gezamenlijk waarna hij vertrok om zijn zoon, die beroepsmilitair was en terug zou komen van een uitzending naar Libanon, af te halen. Na de lunch had hij op verzoek van Theo nog eenmaal dat beroemde nummer van Vera Lynn gespeeld. Hij had geluisterd, hand in hand met zijn vrouw, die het ook niet droog hield. Ja, wat een geweldig fijne oudejaarsavond was dat geweest, onvergetelijk. Zelfs nu Theo na zo vele jaren daaraan terugdacht voelde hij die warme ontroering.       

Wat moeizaam door de last van vijfennegentig jaren kwam hij uit zijn gemakkelijke stoel en schonk zich een glas cognac in, waarbij hij hoopte dat de cognac niet dwars zou gaan liggen met de wijn die hij al gedronken had. Hij nam dat risico omdat hij vond dat op waardige wijze het nieuwe jaar, dat hem zijn zesennegentigste verjaardag vermoedelijk zou brengen, moest worden binnengehaald.

Op de TV was één of andere herrieschopper met een one man show doende die hem niet boeide dus zette hij het toestel weer uit nadat hij even gekeken had of er iets van zijn gading te zien zou zijn. 

In de naaste omgeving werd al vuurwerk afgestoken, de klok wees bijna twaalf uur aan. Hij vulde zijn glas nog een keer, dat kon wel na het opsmikkelen van wat stukjes worst en kaas en wachtte tot de wijzers van de klok samen op twaalf zouden staan. Veel meer betekende het eigenlijk ook niet bedacht Theo ineens, want in zijn eentje…. Ach wat, hij had daar zelf voor gekozen want hij had de herhaalde uitnodiging van zijn dochter om bij hen de jaarwisseling te vieren afgeslagen met de smoes dat hij daar te moe voor was. Nou was dat niet geheel onwaar, maar hij had geen contact meer met de jonge mensen van nu. Hij kon hun gesprekken niet meer zo goed volgen omdat zij over dingen spraken die hij niet kende.

Dan was het moment plotseling toch daar, twaalf uur en overal in de stad zag hij vuurwerk opspatten met hevige knallen. Het was prachtig, dat wel maar hij verzuchtte dat er toch wel heel veel geld de lucht in vloog. De telefoon wekte hem uit zijn gepeins. Hij pakte het ding op met de opmerking : “Dat is mijn meisje”, maar zakte met trillende benen in zijn stoel omdat uit de telefoon “We’ll meet again” klonk, gespeeld op een mondharmonica. Het klonk hier en daar wat vals en wat minder krachtig dan vroeger, maar het was onmiskenbaar Hendrik Jan, zijn makker uit een ander leven. Hij luisterde en huilde, stamelde wat woorden, maar kon geen woord uitbrengen toen Hendrik Jan hem met onvaste stem een gelukkig nieuwjaar wenste. Hij vermande zich en wenste Hendrik Jan alle goeds. “ Goeie god HJ, dat jij er ook nog bent. Hoe heb je mij kunnen vinden joh, ik zit in een zorgcentrum te wachten tot ik dood ga en nu ben jij er ineens”. Hij stopte abrupt, want hij begreep dat hij onzin uitkraamde.

“Hoe gaat het met je HJ”, woon je nog zelfstandig?

“ Nee Theo, net als jij woon ik ook in een verzorgingshuis en heb het goed, maar ik ben wel nogal gammel en denk dat ik binnenkort zal uitstappen. Daar zit ik niet mee want dik over de negentig jaar oud worden is zo’n groot voorrecht, dat het einde niet betreurd mag worden. Dat doe ik dan ook niet. En hoe vergaat het jou dan? Oh ja, ik heb je gevonden door je dochter te bellen, ik wist immers met wie zij getrouwd is. “ 

Zijn stem klonk wat schor en onzeker, maar de kracht van zijn karakter klonk er wel in door.

Theo stemde in met wat HJ gezegd had en vertelde hem dat hij zich nog steeds redelijk goed voelde, afgezien van wat ouderdomskwaaltjes uiteraard. Zij praatten nog wat over de tijd dat zij gezamenlijk dwars door Frankrijk en België trokken op weg naar het bezette Nederland en de bevrijding daarna. 

Na een : “Bay Bay”, speelde hij, vrijwel zeker voor de laatste maal voor Theo “ We’ll meet again”, die daarbij zijn tranen de vrije loop liet. 

 

Auteur: Wim Jilleba; Veteraan, Schrijver, Dichter.